|
Sinds de oudheid zijn “De Middellandse Zee” en “de olijf” met elkaar verweven. Volgens historicus F. Brodel begint “De Middellandse Zee” waar de eerste olijfbomen bloeien en eindigt deze waar de eerst palmboombossen het Afrikaanse continent bedekken.
Tijdens de prehistorie besloot de mensheid dat het plukken van de vruchten van de wilde olijfbomen niet voldoende was om aan hun behoeften te voldoen. En zo begon de systematische productie van het gewas door, in eerste instantie, het tam maken van de inheemse wilde boom en vervolgens het aanplanten van olijfboomgaarden.

Deze lange en moeizame weg is, zoals door velen wordt onderschreven, begonnen op Kreta.
“De eer om de wilde olijfboom in tamme bomen te veranderen komt toe aan de Kretenzische boeren” merkt de Franse onderzoeker Paul Faure op.
Het is duidelijk dat de systematische teelt van de olijfboom veel heeft bijgedragen aan de bloei van de Minoïsche Beschaving; boekdelen met verklaringen hierover zijn aan het licht gekomen tijdens de archeologische opgravingen. Het is zelfs zo dat ‘s werelds oudste tafelolijven, die meer dan 3.500 jaar oud zijn, in een waterput in Zakros op Kreta werden gevonden. Zeer waarschijnlijk waren dit de plengoffers aan de onderaardse goden van een Minoïsche priester die er volgens de ceremoniële gewoonten van die tijd “altijd de voorkeur aan gaven rituelen in schuilplaatsen en spelonken van de aarde te houden”.
Door heel Hellas (Griekenland) werd de olijfboom als heilig beschouwd en daarom staat deze vaak afgebeeld op muurschilderingen in paleizen, op heiligdommen, op aardewerk, als ook op lineair A en B tabletten. Er zijn veel kransen en talismannen die de olijf voorstellen gevonden. Het is zelfs zo dat er een tablet is opgegraven in de Minoïsche stad Knossos waarop belangrijke rituele informatie stond, aangaande hoeveelheden olijfolie die te vinden waren bij elk heiligdom.
Tijdens de Archaïse Periode begint het telen van de olijfboom te floreren, terwijl in Athene, dat in die periode het financiële centrum van Hellas was, de verering voor deze boom zover ging dat de boom bij wet beschermd werd en het rooien of omhakken van de olijfboom strafbaar was.

De latere zoektocht van de Grieken naar landbouwgronden bracht ze naar verre landen waar ze nederzettingen stichtten. Naast hun eigen goden en erediensten brachten ze in hun nieuwe land ook de olijfboom en hun specifieke kennis van telen en oogsten. Volgens de oude aardrijkskundige Strabo zijn zo de eerste olijfbomen geplant in Massalia (Marseilles) in Gaul (Frankrijk) door Grieken uit Phokaea. Hetzelfde geldt voor Portugal, waar, voordat de Grieken nederzettingen stichtten, geen teelt van de olijfboom bestond, of consumptie van olijfolie daar de inheemse bevolking “boter nuttigde en gebruikte om hun lichaam te verzorgen”.
De Grieken gebruikten olijfolie ook als schoonmaakmiddel. Vooral atleten smeerden hun lichaam na de training met olijfolie in om het daarna, met behulp van de strigil (huidkrabber), af te schrapen samen met het stof en het zweet dat er aan vast geplakt zat.
Bovendien onderstreept het feit dat de prijs voor de winnaar van atletiekwedstrijden vaak een grote kan gevuld met olijfolie was, dat de atleet enorme hoeveelheden van dit product nodig had, daar het onmisbaar voor hem was, vooral in periodes dat er geen grote olijfoogst was.
Voor wat betreft het religieuze karakter verschafte de olijfboom, naast dat het het symbool van de godin Athena was, een hoeveelheid aan religieuze tooien (parafernalia). Olijftakken oefenden in die periode zo’n symbolische kracht uit dat het voor een crimineel voldoende was een olijftak te dragen om asiel te vragen in een tempel, waar de priester hem automatisch hulp en onderdak zou verschaffen. Bovendien werd de olijfolie als het meest heilige en waardevolle offer aan de goden beschouwd, omdat de olijfolie werd gebruikt voor de plengoffers. De historische voortzetting van dit gebruik leeft tot op de dag van vandaag nog voort in de vorm van olielampjes die in bijna alle Grieks Orthodoxe huizen branden. Daarnaast werd olijfolie altijd gezien als de meest gepaste vorm van heiliging. In oude tijden besprenkelde de gelovige een voorwerp met olijfolie om het heilig te maken; daarna werd het als gewijd beschouwd.
Een zeer vervelende situatie was in de oudheid echter het feit dat tijdens elke oorlog het eerste bezit dat vernield werd door de aanvallers de olijfboomgaarden waren. Het is bekend dat, nadat een olijfboom is geplant, het vele jaren vergt voordat het vrucht gaat dragen.
Dit betekende dat het opnieuw aanplanten van vernietigde boomgaarden niet onmiddellijk voor ondersteuning zorgde bij de gezinnen van wie het voedselrantsoen erg afhankelijk was van olijfolie. Bovendien stonden de teeltmethoden als ook de persing van het product niet garant voor een gelijkmatige jaarlijkse productie. Dit zijn de redenen waarom gezinnen hoeveelheden olijfolie probeerden op te slaan die hun jaarlijkse behoefte aan olijfolie verreweg overtroffen. |